De overdracht van het briefje van Jan en het boek waarin dat werd gevonden aan Jan’s neef Ab van Doorn uit Hoevelaken. Dat gebeurde in de Geerteskerk in Kloetinge, waar mevrouw Kingma de spullen én een rouwkaart van Jan en zijn vader aantrof.
De overdracht van het briefje van Jan en het boek waarin dat werd gevonden aan Jan’s neef Ab van Doorn uit Hoevelaken. Dat gebeurde in de Geerteskerk in Kloetinge, waar mevrouw Kingma de spullen én een rouwkaart van Jan en zijn vader aantrof. Nettie van Doorn

Familie krijgt tachtig jaar na dato in Kamp Amersfoort geschreven briefje terug

24 januari 2026 om 07:05 Historie Nieuws uit Veenendaal Tips van de redactie

VEENENDAAL Een op 16 januari in 1945 in Kamp Amersfoort geschreven briefje van de uit Veenendaal afkomstige Jan van Doorn is 80 jaar na dato opgedoken in Zeeland. Het met potlood geschreven briefje is onlangs door Ineke Kingma en haar man Gerbrand in het Zeeuwse Kloetinge overhandigd aan een neef van Jan: Ab van Doorn uit Hoevelaken.

door Nettie van Doorn

Met name Ineke Kingma heeft zich ingezet om familie van de schrijver van het briefje op te sporen. Ook wilde ze graag meer weten over een eveneens gevonden rouwkaart van 12 juli 1945, waarmee ‘na maanden van onzekerheid’ zowel het overlijden van vader Barend van Doorn (57) in een concentratiekamp in Neuengamme (‘even voor Paschen’) als van zijn zoon Jan (23) in een nabijgelegen concentratiekamp bekend wordt gemaakt.

,,Bij tijd en wijle pakte ik de draad weer op om familieleden van Jan te vinden, maar omdat dat iedere keer niets opleverde, lag die zoektocht soms ook weer maanden stil”, aldus Ineke Kingma. ,,Ik had de moed al bijna opgegeven ooit nog familieleden te vinden tot ik mijn verhaal deelde met een mede-vrijwilligster (kerkgids) van de Geerteskerk in Kloetinge. Zij bleek in Veenendaal te hebben gewerkt en zij had zo nu en dan nog contact met oud-collega’s.”

Eén van die collega’s gaat op zoek en komt dan onder andere in contact met Constant van den Heuvel, docent geschiedenis van het Ichthus College. Hij doet veel onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog en de geschiedenis van Veenendaal en heeft daarover diverse publicaties op zijn naam staan. Hij blijkt  de familie Van Doorn uit Hoevelaken te kennen, omdat die met enige regelmaat informatie en foto’s aanlevert voor publicaties. Hij weet dat Ab van Doorn de oudste zoon is van Jan’s broer Tom.

(tekst gaat onder de foto verder)


Het briefje van Jan van Doorn. - Nettie van Doorn

AFSPRAAK

Er wordt een afspraak gemaakt voor de overdracht van onder andere het door de familie Kingma gevonden briefje aan Ab van Doorn. Dat gebeurt in de Geerteskerk van Kloetinge. Daar heeft mevrouw Kingma ook het briefje en de rouwkaart gevonden in één van de daar voor verkoop aangeboden boeken. Het boek waarin zij de spullen aantreft, is een geschreven door Thomas à Kempis: ‘De Navolging van Christus’. Het betreft een uitgave uit 1922 van uitgeverij Tjeenk Willink & Zoon in Haarlem.  

Op zich is dit een interessant gegeven, maar nog interessanter is de naam van de eigenaar van het boek op het schutblad: Everhard van Beijnum. Het door Jan in Kamp Amersfoort geschreven briefje is namelijk geadresseerd aan ‘E. Van Beijnum, Vondelstraat 188 in Den Haag’. Daarnaast staat met kleinere letters: ‘mevr. v.h. Riet, Wilt U hier een envelop om doen, postzegel + adres. Hart. Dank. vD’.

Vurig hoop ik dat we allen weer bij elkaar mogen komen

VAN BEIJNUM

Onderzoek wijst uit dat Everhardus van Beijnum op 20 februari 1894 is geboren en overleed op 12 maart 1957. Hij was als muziekpedagoog en docent piano verbonden aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en - onder andere - (mede-) oprichter van de Balletacademie in Den Haag. Vermoed wordt dat Jan en de muziekpedagoog/pianist elkaar kenden, omdat Van Beijnum betrokken was bij de muziekexamens voor onderwijzers en Jan zich daar mogelijk ook op wilde voorbereiden.

Dat de twee elkaar wat beter kenden, blijkt onder meer uit twee passages in het in Kamp Amersfoort geschreven briefje. Bijvoorbeeld uit de woorden: ‘Met verlangen denk ik terug aan 188 (het huisnummer van Van Beijnum, red.) en vooral aan die smeltende eend met Kerstmis.’ En uit de zinsnede: ‘Vurig hoop ik, dat we allen weer bij elkaar mogen komen en dat ik de 20e febr. je persoonlijk kan komen feliciteren.’ Opvallend is dat Jan zijn briefje aan Van Beijnum ondertekent met ‘Allard’, terwijl zijn roepnaam in familiekring ‘Jan’ is.

Met zijn flamboyante uiterlijk en optreden trekt Jan graag en veel aandacht

FLAMBOYANT

Jan Allard Gerhard is op 4 mei 1921 in Veenendaal geboren als zoon van Adam Barend van Doorn en Johanna Cornelia Bos. Samen met zijn ouders en broer Tom woont hij in de Hoofdstraat van Veenendaal op nummer 10, waar vader Barend een schoenenspeciaalzaak heeft. Jan wordt gedoopt in de Brugkerk, in die tijd behorend bij de Gereformeerde Kerk in Veenendaal. Jan weet als kind al, dat hij voor de klas wil staan en rondt in juni 1940 zijn studie aan de kweekschool in Utrecht af. Omdat de oorlog inmiddels is uitgebroken en veel archiefstukken verloren zijn gegaan, is niet precies meer te achterhalen wanneer en hoe lang Jan precies als ‘kwekeling met akte’ les heeft gegeven op de Patrimoniumschool. Wel bekend is, dat Jan en Tom als kind diezelfde school bezochten. Leerlingen herinneren zich later, dat Jan een vrolijke meester was. Daarnaast memoreren zij dat hij van toneelspelen en lezen hield (op een aantal oude foto’s staat hij met een boek in zijn hand), graag zong, goed gekleed ging en dat zijn kapsel ook ‘meer dan op orde’ was. Kortom, met zijn flamboyante uiterlijk en optreden trekt Jan in die tijd graag en veel aandacht.

STEEN AAN DE MUUR

In hun uitgave ‘Een steen aan de muur’, schetsen twee latere onderwijzers van  de Patrimoniumschool (Jan Willem Samson en Gerard Martijn van der Vliet) in 2015 een beeld van de meesters Folkert Roosjen en Jan Allard van Doorn die tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen ‘meester’ waren op de Patrimoniumschool, maar ook allebei actief waren in het verzet. Zij het op een verschillende manier. Ze hebben echter gemeen, dat ze hun verzetsdaden hebben moeten bekopen met de dood. Folkert werd op 17 maart 1945 vanuit Kamp Amersfoort met tien anderen naar Loosdrecht gebracht en is daar aan de kant van de weg gefusilleerd als vergelding voor een aanslag op een Duitse sergeant. Jan overleed in maart 1945, in een ander concentratiekamp dan zijn vader (57) in de buurt van Neuengamme op 23-jarige leeftijd aan dysentrie. 

ALBRECHT

De broer van Jan heet weliswaar Tom, maar spioneert in de oorlog onder de naam Gert tegen de Duitsers. Hij is lid van de verzetsorganisatie Albrecht, ook een schuilnaam. ‘Vooral in 1944 krijgt de groep het druk als de legers van Engeland en Amerika Europa willen bevrijden’, schrijven Samsom en Van der Vliet in hun boekje. ‘Ze verzenden allerlei informatie over Duitse soldaten, stellingen, wapens en voertuigen. Levensgevaarlijk werk, want als je gepakt wordt met informatie is er maar één straf: de doodstraf.’

De verzetsgroep heeft radiozenders en telefoons om informatie door te geven, maar het grootste deel gaat via koeriersters. Dat zijn meisjes en vrouwen die op de fiets op per trein brieven, kaarten en fotorolletjes rondbrengen. Alle informatie wordt via een ‘rayonhoofd’ verzameld, gerubriceerd en doorgestuurd naar militaire inlichtingendiensten. Gert (Tom dus) is zo’n rayonhoofd. Hij is verantwoordelijk voor spionage in midden Nederland: een groot deel van de provincie Utrecht en de Betuwe. Hij woont en studeert diergeneeskunde in Utrecht, maar veel coördinerende werkzaamheden worden verricht vanuit zijn ouderlijk huis in Veenendaal.

(tekst gaat onder de foto verder)


Het briefje van Jan van Doorn.  - Nettie van Doorn

ZWARTE DAG

Op 21 november zetten de Duitsers een val op in de boerderij van de familie Boonzaaijer aan de Rijksstraatweg in Ede. Zij vermoeden dat de dochter van Boonzaaijer een koerierster is. Maar …. rond 11 uur die ochtend komen twee andere jonge vrouwen het erf op fietsen: Nonny van den Bosch (verloofd met Tom) en haar vriendin Truus van Kuyk. De briefjes, die zij bij zich hebben, leiden de Duitsers naar Hoofdstraat 10 in Veenendaal. Daar arresteren ze met veel geweld Barend van Doorn, zijn vrouw Johanna, zoon Jan, koerierster Leny Mostert en diverse andere ‘meer of minder toevallig aanwezige’ verzetsmensen dan wel buurtgenoten. Ook Tom is die dag onderweg naar zijn ouderlijk huis, maar keert terug naar Utrecht omdat hij (wéér) de regenjas van zijn verloofde Nonny is vergeten. Bij aankomst in Utrecht hoort hij wat er die dag in Veenendaal is gebeurd en duikt meteen onder.

Alle ‘gearresteerden’ (ook Truus en Nonny) worden die dag in een vrachtwagen geladen en naar de Willem III-kazerne in Apeldoorn gebracht. Ze worden daar dagenlang uitputtend verhoord en opgesloten in kleine, vieze maar vooral ook overvolle cellen. Samen met andere van verzetsactiviteiten verdachte vrouwen (onder meer uit gevangenis De Kruisberg in Doetinchem en de Huizen van Bewaring in Zwolle en Groningen) worden ze na enkele weken overgeplaatst naar Westerbork en daar aan het werk gezet in een batterijensloperij. Dat is een bijzonder gegeven, omdat Westerbork aanvankelijk alleen een (doorgangs-)kamp voor joden was.

VROUWENMARS

Met het naderen van de geallieerden, wordt het de Duitse bewakers en andere Duitse soldaten te heet onder de voeten. Zij willen uit handen van de geallieerde soldaten blijven en terug naar hun ‘Heimat’. Ze besluiten in april 1945 de 116 in Westerbork verblijvende vrouwen in drie nachten in een fors tempo van Westerbork naar Grijpskerk te laten lopen en ze te gebruiken als menselijk schild. Deze nu als Vrouwenmars bekend staande tocht is loodzwaar, omdat veel vrouwen na hun gevangenschap al verzwakt en ziek zijn en geen ervaring hebben met het lopen met bepakking. De afmattende tocht leidt er toe dat de Duitsers de vrouwen wel kwijt willen, omdat die hun terugkeer naar Duitsland wel erg vertragen. De Duitse commandant dringt er daarom bij zijn meerderen op aan ze vrij te mogen laten. Het antwoord is kort maar krachtig: enkele ernstig zieken laten gaan, mag. De rest moet doorlopen. Tegen de wil van zijn meerderen in, besluit de commandant op 14 april 1945 echter ook deze vrouwen vrij te laten met de aankondiging: ‘Sie sind entlassen’. De vrouwen zijn verbouwereerd en durven het nieuws bijna niet te geloven. Als ze beseffen dat het echt waar is, willen ze natuurlijk graag naar huis en het liefst zo snel mogelijk.

Helaas blijkt er thuiskomst wel het een en ander veranderd te zijn en wacht vele vrouwen akelig nieuws. Niet in de laatste plaats omdat ze dan pas horen dat hun mannen, zonen en/of vaders de oorlog niet hebben overleefd. Ze blijken in de laatste maanden van de oorlog omgekomen bij een vergeldingsactie of van uitputting gestorven in een werkkamp.

Dat lot is ook alle mannen beschoren, die op 21 november 1944 in de Hoofdstraat van Veenendaal bij de Van Doorns zijn opgepakt. Alleen zoon Tom is die dans ontsprongen vanwege de al eerder genoemde (vergeten) regenjas van zijn verloofde.

13 JULI 1945

Een neef van Jan en Tom van Doorn, Evert Hootsen, houdt een handgeschreven oorlogsdagboek bij van 16 april tot en met 11 mei 1945 en verhaalt daarin nauwgezet hoe het leven in Veenendaal er in die laatste oorlogsdagen uitziet. In dit ‘Dictaatcahier’ plakt hij ook krantenartikelen, Frontnieuws-uitgaven en exemplaren van ‘Voor Waarheid Vrijheid en Recht, voormalig illegaal bulletin voor Barneveld en omgeving’. Hij spreekt er zijn zorg in uit over het dan nog onbekende lot van zowel Tom, Nonny, de ouders van Tom en Eef’s leeftijdsgenoot Jan (hun moeders waren zussen). Maar ook over het lot van de andere opgepakte Veenendalers. Pas twee maanden na de bevrijding, op 13 juli 1945, pakt Evert zijn pen weer op om een laatste bladzijde toe te voegen aan zijn verslag. Hij heeft daar ook een foto van Jan bijgevoegd. Hij schrijft dan onder meer: ‘Na lang in onzekerheid te hebben verkeerd, hoorden we gisteravond dat mijnheer Van Doorn en Jan om het leven zijn gekomen. Om 11 uur ’s avonds kwam iemand het vertellen die bericht heeft gekregen van iemand die doodziek uit het kamp waar Van Doorn het laatst geweest is, in Den Haag is teruggekeerd.’ Inmiddels is bekend dat Jan niet bij zijn van uitputting stervende vader mocht blijven. Kort daarvoor werd hij overgebracht naar een ander kamp, waar hij twee weken later bezweek.

Eef Hootsen besluit zijn verhaal over het einde van de tragische geschiedenis van Hoofdstraat 10 met de mededeling dat het overlijdensbericht van Jan en zijn vader bij Oase (het ouderlijk huis van Toms verloofde Nonny van den Bosch, red.) is binnengekomen. Omdat Tom op dat moment nog van niets weet , vertrekt Nonny’s oudste zus diezelfde avond nog per fiets naar Utrecht om hem dit nieuws te vertellen. Volgens Eef zouden Tom en zijn moeder twee weken later naar Den Haag gaan om de eerder genoemde kampgenoot van vader en zoon te bezoeken om meer te horen. Helaas is dat er niet van gekomen, omdat deze man korte tijd later ook stierf.

(tekst gaat onder de foto verder)


Op de laatste bladzijde van het door Evert Hootsen geschreven oorlogsdagboek heet hij op 13 juli 1945 een foto van zijn neef Jan van Doorn geplakt. - Nettie van Doorn

ZO BIJZONDER

,,Als familie zijn we diep onder de indruk van alle moeite, die met name de familie Kingma, maar ook anderen hebben gedaan om met ons in contact te komen”, zegt Ab van Doorn. ,,Het is zó bijzonder als je na 80 jaar opeens een door je oom in Kamp Amersfoort geschreven briefje, in je handen hebt….”

,,Mijn ouders wilden ons als kind niet belasten met wat er in de Tweede Wereldoorlog allemaal is gebeurd en zochten zelf  - net als veel lotgenoten - voor wat vergetelheid met een gevuld gezins- en sociaal leven na de oorlog”, vertelt hij verder. ,,Pas toen ze in de zeventig was, heeft mijn moeder Nonny het een en ander verteld aan mijn vrouw Nettie en ontstond het boekje ‘Een persoonlijk verslag’, bedoeld voor haar vier kinderen en haar kleinkinderen.”

,,Diverse publicaties van andere ervaringsdeskundigen, boeken over het verzet, films en herdenkingen wakkerden de nieuwsgierigheid naar de rol van onze (voor-)ouders verder aan”, aldus de neef van Jan. ,,In de loop van de jaren zijn we zelf ook meer te weten gekomen over wat er allemaal is gebeurd en vallen er nog steeds puzzelstukjes op hun plaats. Onder andere ook, omdat mijn broer Cees alle mini-briefjes heeft uitgetypt, die mijn moeder en haar zus elkaar schreven toen mijn moeder gevangen zat in Apeldoorn. Zij verstopten die briefjes in de boorden van wasgoed, dat mijn tante wekelijks op de fiets van en naar de Willem III-kazerne probeerde te brengen. Verder is er begin dit jaar een boek (Nonny) verschenen van mijn dochter Ika en werkt zij samen met haar neef Ted Alkemade aan een documentaire over de Vrouwenmars, waaraan zowel Nonny als haar schoonmoeder (mijn oma dus) moest deelnemen in 1945.”

Ab sluit af: ,,Het is mooi, maar ook best heftig om in zijn naar ‘buiten’ gesmokkelde briefje aan Everhard van Beijnum te lezen hoe moeilijk Jan het heeft in Kamp Amersfoort: ‘Direct gaat ’t licht uit. Dus eindig. Hart. Gr. En spoedig tot ziens. Ik verlang vreselijk n. huis.’”

Het briefje van Jan van Doorn, zoals het gevonden is in het boek van Everhard van Beijnum.
Het briefje van Jan van Doorn in het boek van Everhard van Beijnum.
Op de laatste bladzijde van het door Evert Hootsen geschreven oorlogsdagboek heet hij op 13 juli 1945 een foto van zijn neef Jan van Doorn geplakt.
Mail de redactie
Meld een correctie

Nettie van Doorn
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie