Israël Osnowitz, ofwel Japie van de Belt, in de tuin van de familie Stappenbelt in de Hoofdstraat. Zittend in een rieten stoel en met een boek in de hand vermaakt hij zich prima. Hoe triest zou het met hem aflopen.
Israël Osnowitz, ofwel Japie van de Belt, in de tuin van de familie Stappenbelt in de Hoofdstraat. Zittend in een rieten stoel en met een boek in de hand vermaakt hij zich prima. Hoe triest zou het met hem aflopen. Gemeentearchief Veenendaal/Collectie Thoomes

Het trieste leven van een onderduiker: ‘Japie van de Belt’ hield trauma over door ervaringen in oorlog

1 februari 2025 om 07:30 Historie Nieuws uit Veenendaal Tips van de redactie

VEENENDAAL Het zal rond 1986 zijn geweest. Mevrouw Stappenbelt, weduwe van de na de oorlog fel bekritiseerde korpschef van de politie in Veenendaal, kwam de redactie van deze krant op. Ze had net kennisgenomen van een verhaal waarin uitleg werd gegeven over de rol van haar man tijdens de Tweede Wereldoorlog en waarom hij op non-actief werd gezet om plaats te maken voor Piet van Riessen. Die zou maar relatief kort in Veenendaal verblijven, om plaats te maken voor Willem Dekker, een man met een - naar later bleek - blijvend oorlogstrauma.

door Martin Brink

De weduwe Stappenbelt wilde laten weten dat zijn rol in de oorlog echt niet zo erg was geweest als werd geschreven. Het gezin had immers toch ook een vorm van verzet gepleegd? Want hadden ze, met gevaar voor eigen leven, niet een jodenjongetje in hun woning aan de Hoofdstraat verborgen gehouden en daar nota bene geen enkele vergoeding voor ontvangen? Wie was die jongen en waarom kwam hij zo triest aan zijn einde? Daarover gaat dit verhaal, dat vooral gebaseerd is op archiefonderzoek.

Door recent archiefstukken te raadplegen is vast komen te staan dat dat jongetje Izak (Israël) Osnowitz (of Oznowicz) heette en uit Amsterdam kwam. Tijdens de onderduik kreeg hij de naam ‘Japie van de Belt’ mee.

Nee, het zat de weduwe Stappenbelt nog steeds niet lekker. Dat haar man na jaren van trouwe dienst op non-actief werd gesteld, en dat ze nu, in 1986, na zoveel jaren daarmee wéér werd geconfronteerd in een nieuw historisch onderzoek. Het zat haar allemaal niet lekker. Uiteindelijk werd haar man in rang teruggeplaatst en werd hij in het toenmalige dorp Veenendaal blijvend scheef aangekeken. Daarom stapte ze naar de krant, om vooral háár kant van het verhaal te vertellen.

TÉ MEEGAAND

De Politieke Opsporingsdienst (POD), een onderzoekscommissie die kort na de oorlog ook in Veenendaal actief was, vond wat van de rol van Stappenbelt. Hij zou té meegaand zijn in alles wat de bezetter uitvaardigde. Achteraf gezien wellicht een te zware straf en wilde de dienst een voorbeeld stellen. Maar, zoals de Veenendaalse LO- en BS-leider Jaap Spruijt in zijn memoires al meldde: ,,Dan hadden we het hele politiekorps moeten ontslaan, ook de gemeentebestuurders.” 

Spruijt was lid van de POD, lid van de Adviescommissie tot zuivering van de gemeentepolitie Veenendaal en één van de leidende verzetsfiguren in Veenendaal. Hij overleed in 2017 in Canada en onderhield tot aan zijn overlijden een hartelijke telefoon- en briefwisseling met de auteur van dit verhaal. Veel van zijn memoires zijn nog niet ontsloten.

De weduwe Stappenbelt had haar verhaal op papier gezet, compleet met een foto van dochter Neelie met Japie op 9 mei 1945, de officiële bevrijdingsdag van Veenendaal. Neelie zit op een stoeltje voor de woning aan de Hoofdstraat, Japie staat ernaast. Beiden hebben feestelijke kledingstukken aan: een sjerp (ongetwijfeld oranje), een vlaggetje en een hoedje. Japie staat er wat bedremmeld bij. Een uitgelaten feeststemming straalt er niet echt van af.

De foto is gemaakt door Elly Thoomes, de vrouw van dr J.G. Thoomes, die bevriend was met de familie Stappenbelt. Een paar maanden eerder heeft ze Japie nog in hun tuin gefotografeerd, lezend in een gemakkelijke rieten tuinstoel. Een brede lach siert zijn gezicht. Die foto gaat bij dit verhaal. Het zit in de fotoalbums van mevrouw Thoomes, die zoon Mick ooit aan het gemeentearchief schonk.

Jan Stappenbelt had over die enerverende periode een dagboek bijgehouden. Die is echter nooit boven water gekomen. Ook door mevrouw Stappenbelt niet. En tsja, ondanks dat Japie geruime tijd bij het gezin ondergedoken was geweest, er wordt gesproken over zeker drie maanden, hebben ze nooit meer iets van de jongen gehoord.
Hij werd na de oorlog opgehaald door Femmi van Essen-Cohen (van de grossierderij in de Hoofdstraat), en dat was het. Samen met haar man Reinold had ze in een spilfunctie in het naoorlogse Joodse leven in Veenendaal.

STADSARCHIEF AMSTERDAM

De Veenendaalse geschiedenisleraar Constant van den Heuvel, die bovenmatig geïnteresseerd is in het plaatselijke Joodse leven, ontdekte digitaal nogal wat over Japie. In archieven is namelijk veel over hem te vinden, zelfs zijn complete medische dossier is voor iedereen vrij in te zien via het stadsarchief van Amsterdam! Hij laat weten: ,,Ik dacht: wie is die jongen, waar kwam hij vandaan en hoe is het hem verder vergaan? Daar ben ik verder op gaan zoeken.”

Een eerste aanwijzing over het bestaan van Japie komt voor in het boek ‘Wie was ds. R. Kok eigenlijk?’ van de Veenendaalse veelschrijver Rik Valkenburg uit 1989. Dominee Reinier Kok was actief in het verzet en in het boek wordt melding gemaakt dat de jongen tijdens een preek onder de kansel werd verborgen.

Van den Heuvel herinnerde zich het verhaal van Ben Smeenk uit Renkum, een gereformeerd predikant. Net als zijn dorpsgenoten moest hij in de septemberdagen van 1944 vluchten van de zuidelijke Veluwezoom, toen het frontgebied werd tijdens de Slag om Arnhem. Smeenk was ook een verzetsman.

Hij bood onderdak aan joden of bracht hen ergens onder. De eerder genoemde Jaap Spruijt (schuilnaam ‘Jan van de Velde’) haalde hem over naar Veenendaal te komen, aangezien de eigen predikant Dirk van Enk sinds de april-meistakingen in 1943 was ondergedoken. Smeenk nam verschillende Joodse onderduikers mee vanuit Renkum, naar verluidt 23, waaronder veertien kinderen. In 1943 maakt mevrouw G. van de Born-Willemsen, pensionhoudster aan de Kerkstraat 54 in Renkum, een lijstje met Joodse kinderen tussen de drie en veertien jaar die bij haar verbleven en door haar zijn ondergebracht.

Ik dacht: wie is die jongen, waar kwam hij vandaan en hoe is het hem verder vergaan? Daar ben ik verder op gaan zoeken

Hierop staan twee namen die voor Veenendaal van belang zijn: Piet (= Bram) van Rhijn en Jaapje Oznowicz (= Izak Isra?l -kortweg Ies - Oznowicz, acht jaar). Bram (geboren in 1935) werd ondergebracht bij Jan en Wil Tigelaar aan de Buurtlaan/Polselaan. Zijn ouders Hartog en Amalia van Rhijn uit Rotterdam waren in deze stad ook ondergedoken. In september 1943 werden ze opgepakt en op 18 september 1943 naar Westerbork overgebracht. Op 21 september werden ze naar Auschwitz gedeporteerd. Ze werden 45 en 41 jaar.

Izak Oznowicz kwam terecht bij de familie Stappenbelt. Dominee Smeenk kon de andere kinderen onderbrengen op verschillende adressen. Alleen Japie (Izak/Ies dus) bleef over en kwam uiteindelijk terecht bij korpschef Stappenbelt, die toen al begreep dat er de nodige kritiek was op zijn functioneren en door onderduik te bieden zijn beste kant kon laten zien.

VOORAANSTAAND ARCHITECT

Ies kwam uit een Amsterdams gezin. Vader was een vooraanstaand architect. Deze Abraham Oznowicz (1892-1976) was timmerman, opzichter en tekenaar. Hij volgde een avondopleiding tot architect. Na 1945 inventariseerde Oznowicz het onroerend bezit van de Joodse gemeenten in Nederland en raakte hij betrokken bij herstel-, nieuwbouw- en verbouwingswerkzaamheden aan synagogen in en buiten Amsterdam.

Oznowicz was getrouwd met Frouke Naatje Kan (1907-1982). Zij kregen samen twee kinderen, Rebecca (Amsterdam 5 januari 1932-Haifa 17 december 1984, sinds 1951 wonende in Israël en werkzaam als medisch analiste) en Israël-Ies (Amsterdam 22 januari 1935-Amsterdam 13 januari 1995).

Het gezin werd op 26 mei 1943 in Amsterdam opgepakt en naar de verzamelplaats bij het Muiderpoortstation gebracht voor deportatie naar Westerbork. De ouders hadden een sperre, een bewijs van uitstel, waarschijnlijk door hun werk in het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis (NIZ) in Amsterdam. Ze werden uit de rij gehaald en doken vervolgens onder, eerst in het NIZ, later in Limburg waar de kinderen gescheiden werden. Ies kwam dus eerst in Renkum en later in Veenendaal terecht.

In juni 1945 werd hij herenigd met zijn ouders en zus. Ies bleek een zeer begaafde jongeman en na de Joodse HBS werd hij student aan de technische universiteit in Delft. Midden jaren vijftig werd bij hem een psychische ziekte vastgesteld, waarschijnlijk als gevolg van alles wat hij in de oorlog heeft meegemaakt.

Er werd schizofrenie geconstateerd en Ies werd opgenomen in de psychiatrische kliniek in Utrecht. Vanaf begin 1957 volgde behandeling in de psychiatrische inrichting te Wolfheze. Zijn vader maakte daar bewaar tegen omdat hij als orthodox levende jood niet kon instemmen met de overplaatsing naar een confessionele instelling. Volgens hem was de godsdienst één van de vele problemen waarmee Ies te kampen had.

VERWARD

Vanaf augustus 1958 komen we hem tegen in het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort. In verslagen staat dat hij een ‘zeer verwarde indruk maakt’, namen door elkaar haalt en soms driftig is. Begin jaren zestig lijkt het iets beter te gaan. Ies gaat regelmatig naar zijn ouders in Amsterdam, bezoekt de synagoge en wandelt alleen langs het IJ.

In 1962 wordt gemeld dat hij ‘steeds kinderlijker’ wordt. Er zijn echter wel heldere momenten want in 1968 herkent hij nog zijn vroegere rector die op bezoek komt. Het laatste levensteken in de archieven is van 11 juni 1974 wanneer een maatschappelijk werker een onderhoud aan de ouders vraagt om de situatie van hun zoon te spreken. Ies Oznowicz overlijdt op 13 januari 1995 in Amsterdam en werd begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg.

Mail de redactie
Meld een correctie

Martin Brink
Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie