
Uit de archieven van het Stadsmuseum Veenendaal: Mooiste plek in de kerk voor de hoogste bieder
5 juli 2024 om 07:30 Historie Nieuws uit VeenendaalVEENENDAAL In het archief van Stadsmuseum Veenendaal bevindt zich een oud document dat betrekking heeft op de verhuur en verkoop van zitplaatsen in de Oude Kerk. Het dateert uit 1834 en is een handgeschreven en gezegelde akte ondertekend door notaris Slok.
door Hans Wegen
Hierin wordt onder andere de verkoop geregeld van twee vrouwenstoelen in de uitzet (=uitbouw), noordelijk gedeelte nr. 54 en 61. Koper is ene Roelof Gaasbeek, wolkammer uit Gelders Veenendaal. Aan het eind van de akte wordt fijntjes vermeld: ‘Na duidelijk gedane voorlezing, verklarende den Verkoper Roelof Gaasbeek niet te kunnen schrijven noch teekenen.’
Het bedrag staat er niet bij, maar in dezelfde akte wordt ook een stoel op naam gesteld van ene Geurt van Leeuwen, meester-kuiper, voor 61 gulden. Dat is anno nu ongeveer 974 euro.
HOOGSTE BIEDER
Voor ons 21e-eeuwers vreemde praktijken, maar in het hele land was dit gebruikelijk. Die verhuur- en verkooppraktijk is begonnen in de 19e eeuw en het ging vaak zover, dat er plaatsen bij opbod werden verkocht. De hoogste bieders werden dan eigenaar van de mooiste plekken in de kerk. Alsof men in een 19e-eeuwse skybox plaatsnam!
De oudste delen van het archief zijn ondergebracht in het gemeentelijk archief, omdat daar betere bewaarcondities zijn. Enkele koopcontracten zijn ondertekend door de in Veenendaal welbekende notaris J. G. Sandbrink. In 1836 wordt er een contract opgemaakt tussen kerkvoogden en hoofdonderwijzer en koster J. Lits. Daarin staat onder meer dat hij elke dag het uurwerk moet opwinden, de kaarsenhouders schoonmaken na de middagdienst en elke week de kerk van alle vuil zuiveren.
BOETES INNEN
Maar hij diende ook voor de kennisgeving te zorgen van de aanstelling van nieuwe leden der Colleges. En van kerkleden die te laat waren met het betalen van de stoelenhuur moest hij de voorgeschreven boetes á tien cent innen!
In de koopcontracten stonden uiteraard voorwaarden. Artikel 1 gaat over het recht dat de een de ander moet laten passeren zoals het behoort. Dat lijkt nogal logisch. Artikel 5 werd later een speerpunt; dat zegt dat de eigenaars niet het recht hebben de stoelen als geërfd te beschouwen.
In de loop der tijden stapelden de problemen zich op. Zo schrijft ene mej. C. Hiensch in 1908: ‘Geachte Heeren, Een van de huurders van de bovenbank zuidzijde weigert betaling zoolang hij niet weet op welk nummer hij kan gaan zitten.’ Op de achterkant van deze brief schrijft de kerkvoogdij niet in staat te zijn het nummer te geven, want niemand in deze bank heeft een vaste plaats.
In 1926 komt een klacht binnen van eigenaars/huurders van plaatsen in de onderste lange bank noordzijde ‘die de laatste tijd veel last hebben van hoorders die in de bank plaatsnemen zonder daartoe door eigendom of huur gerechtigd te zijn.’ Met daarbij het verzoek aan het College om maatregelen te nemen. Ondertekend door vijf personen.
In deel 2 het vervolg van deze stoelendans.










