Het Stadspark aan de rand van Veenendaal is een oase van rust waar men graagt wandelt, jogt, de hond uitlaat of gewoon gaat zitten, op een bankje of langs de waterkant. (Foto: Martin Brinkl/DPGMedia)
Het Stadspark aan de rand van Veenendaal is een oase van rust waar men graagt wandelt, jogt, de hond uitlaat of gewoon gaat zitten, op een bankje of langs de waterkant. (Foto: Martin Brinkl/DPGMedia)

Arie Koster, bioloog in Veenendaal: ‘Op weg naar een stuk nationaal park’

7 oktober 2020 om 10:13 Algemeen

Veenendaal - De landelijk bekende bioloog Arie Koster uit Veenendaal schrijft de komende maanden wat hem zoal bezighoudt over het openbare groen in zijn woonplaats. Hij heeft recht van spreken want Arie publiceerde er boeken over en adviseerde vele gemeenten. Hij concludeert dat het in Veenendaal beter gaat, zeker na zijn verhuizing begin jaren zeventig naar de plaats waarvan iedereen om hem heen zei: hoe kun je dáááár nu gaan wonen? 

In deze eerste beschouwing vertelt hij over zijn bevindingen in de loop der jaren. Hij vertelt zelf over al die ontwikkelingen: Toen ik met mijn vrouw in 1972 in Veenendaal ging wonen, kwamen in het openbaar groen nauwelijks wilde planten voor. Bermen en graslandjes werden ca 20 keer per jaar gemaaid, beplantingen en trottoirs werden over het algemeen chemisch beheerd. Tuinen werden zeer intensief onderhouden waarbij het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen geen taboe was en nog steeds niet is.

Steriele gemeente

Ten opzichte van nu, was Veenendaal voor wilde planten en insecten een steriele gemeente. Voor enkele plekken gold een uitzondering. Het Salamanderbos (inmiddels een woonwijk) met kleine heideveldjes. De Blauwe Hel die er toen veel beter uitzag dan nu het geval is en die toen ook al te maken kreeg met stikstofneerslag en verdroging. De meest opvallende plek voor natuur was het oude spoorwegemplacement en het buiten gebruik zijnde goederenlijntje Rhenen-Amersfoort dat door en langs Veenendaal lag. Hier kwamen onder meer veel vogels, insecten, kikkers en padden en vrijwel zeker ook kleine zoogdieren voor Het water in sloten aan de randen van Veenendaal was in het algemeen helder. Vissen, kevers, larven van libellen en waterspinnen en nog veel meer waren duidelijk te zien. In die periode werd meer natuur in het openbaar groen en in tuinen al onder de aandacht gebracht door het Instituut voor natuureducatie afdeling Veenendaal.

Geen draagvlak

Ook bij enkele personen bij de gemeente was daar aandacht voor, maar zoals het bij vrijwel alle gemeenten in Nederland het geval was, was er bij de bewoners geen draagvlak voor natuur in de stad. Gras moest kort worden gemaaid, en de rest van de groene elementen moest liefst onkruidvrij zijn. Iets wat we nu ‘netheidswaanzin’ zouden noemen. Met uitzondering van hommels en bijen op enkele natuurterreintjes kwamen wilde bijen niet of nauwelijks voor. Dat was niet uitzonderlijk voor Veenendaal. Dat gold voor vrijwel alle gemeenten in ons land.
Vanaf 1976 was ik doelbewust bezig met wilde bijen. In de Savornin Lohmanstraat hadden we een lange tuin van ca. 6 m breed en ruim 20 m lang. Deze stond vol met allerlei planten voor bloembezoekende insecten. Rond 1980 kwamen ca 30 bijensoorten in de tuin voor. Als geen enkel ander voorbeeld werd in die tuin duidelijk wat tuinen kunnen betekenen voor bloembezoekende insecten. Maar in geen enkele andere tuin in Veenendaal kon ik een wilde bij ontdekken.

Cultuuromslag

De periode 1980-1990 vond geleidelijk een cultuuromslag plaats. Er kwam meer ruimte voor natuur in de openbare ruimte, het gebruik van pesticiden op verhardingen en plantsoenen verdween uit beeld.In die periode heb ik vanuit de Adviesgroep vegetatiebeheer (afd. Vegetatie en Onkruidkunde van de Landbouwhogeschool Wageningen; nu WUR) de effecten van het beleid van de gemeente onderzocht.
Het meest opvallende waren de waterkanten langs de vijvers die in 1988 op 28 waarnemingspunten werden die in geïnventariseerd. Het stadspark spande daarbij de kroon. Hier kwamen meer dan 80 soorten wilde planten voor. Deze lintvormige begroeiing was in die periode uniek voor stedelijk groen in Nederland en stak met kop en schouders uit boven de meest natuurlijke plekken in de Gelderse vallei.
Het effect werd ook versterkt doordat er om veiligheidsredenen niet gemaaid kon worden pal langs de waterkant. Als een van de eerste in Nederland legde Veenendaal tussen het bedrijventerrein De Compagnie en de A12 een lange een grotendeels onbeschoeide vijver aan met aan de zuidkant een hellingshoek van 1 op 8, een talud dat geleidelijk afloopt en veel kansen zou bieden aan een zeer gevarieerde vegetatie. Daar is tot nu toe weinig van terecht gekomen, maar de kansen liggen er nog steeds.

Actie Steenbreek

Omdat verhardingen (geplaveide plaatsen) niet meer met onkruidbestrijdingsmiddelen werden schoon gehouden, grepen veel plantensoorten hun kans om zich in de voegen van straatstenen en tegels te ontwikkelen. Ruim 120 soorten werden in 1988 op verhardingen waargenomen. Tientallen soorten hiervan zijn om esthetische reden goed toepasbaar langs randen van verhardingen en 50 soorten waren bijenplanten. Het was toen al een duidelijke indicatie hoe verhardingen vergroend konden worden. Het is te zien als een voorloper van actie “Steenbreek”. Met iets meer ruimte op strategische plekken is bijna alles mogelijk.
De kale randen van allerlei beplantingen hebben zich ontwikkeld tot groene zomen. Meestal met planten die men liever niet in de eigen tuin wil hebben. Maar voor de biodiversiteit zijn planten als grote brandnetel en distels van groot belang. We vinden het leuk om vlinders in de tuin te hebben, maar de planten waar de rupsen van leven, willen we meestal niet in de tuin. Dus moeten we heel blij zijn dat deze planten op andere plekken in de gemeente kunnen groeien.
Hierbij zijn we ook aangeland bij de betekenis van de groene openbare ruimte van Veenendaal. Deze openbare ruimte is verbonden met de Utrechtse Heuvelrug met de zandafgraving, op wat grotere afstand met het rivierengebied, met twee spoorlijnen die ecologische verbindingen zijn met de Veluwe, en andere terreinen van de Utrechtse Heuvelrug, met de Bennekomse Meent en het nieuwe natuurgebied in het Binnenveld. Kortom, Veenendaal ligt in een centrum van een ecologisch web.

Heel veel verbeterd

Veenendaal is nog steeds op weg om de natuur meer ruimte te geven. De Groene grens is daar een hoogtepunt van. Natuurlijk zijn er altijd dingen te vinden waar je kritiek op kunt hebben. Maar als je de huidige situatie vergelijkt met die van een halve eeuw geleden is er op het gebied van natuur in de stad en biodiversiteit heel veel verbeterd.
Dit is ook af te lezen in onze eigen tuin. Daar groeien veel bijenplanten die sinds 2010 door ruim 50 soorten wilde bijen zijn bezocht. Daarnaast zijn er ook veel vinders en andere insecten waargenomen. Deze bijen en insecten komen overal vandaan.

Een goed voorbeeld van de ruimte die de natuur in Veenendaal krijgt, is de bij die alleen op de Grote Kattenstaart vliegt. Zonder deze plant kan deze bij niet leven. Begin van de jaren 90 kwam deze plant nog nauwelijks in Veenendaal voor. Rond 2000 was deze plant duidelijk aanwezig langs de vijverkanten. Toen werd in het stadspark ook de eerste kattenstaart bij waargenomen. Dat was toen zeer bijzonder voor het openbaar stedelijk groen in Nederland. Tussen 2010 en 2020 is deze bij talrijk langs de Veenendaalse vijvers waargenomen. De laatste tien jaar is grote kattenstaart ook een plant die je vaker in tuinen tegenkomt en die de bij aan trekt. In onze eigen tuin komt deze bij al een kleine tien jaar voor.

Eén geheel

Er zijn meer van deze voorbeelden. Tussen 1970 en 1990 kon ik in de Veenendaalse voortuinen met uitzondering van hommels nauwelijks wilde bijen waarnemen, maar dat is aan het verbeteren. Openbaar groen en tuinen moeten geleidelijk aan als een geheel worden gezien. In de twee tuinen die wij bij ons huis hadden is bewezen hoe snel tientallen bijensoorten zich in een tuin kunnen vestigen. Niet al deze bijen zijn afkomstig vanuit het openbaar groen, maar komen ook via andere wegen. De gemeente heeft op verschillende plekken in de stad Ezelsoor aangeplant die vooral door de grote wolbij worden bezocht. Deze bij was een halve eeuw geleden nog zeldzaam en is nu een echte tuin bij geworden. De grote wolbijen die in de openbare ruimte worden waargenomen komen vrijwel zeker uit tuinen. Dat geldt voor veel meer kleine dieren. Met deze interactie worden we nog meer Nationaal Park.
Ecologisch gezien horen tuinen en openbaar groen bij elkaar. De artikelen die volgen gaan over de betekenis van tuinen voor de biodiversiteit in dorp en stad in eigen tuin en daar buiten.

Meer wilde bijen in tuinen

Een goed voorbeeld van de ruimte die de natuur in Veenendaal krijgt, is de bij die alleen op de Grote Kattenstaart vliegt. Zonder deze plant kan deze bij niet leven. Begin van de jaren 90 kwam deze plant nog nauwelijks in Veenendaal voor. Rond 2000 was deze plant aanwezig langs de vijverkanten. Toen werd in het stadspark ook de eerste kattenstaart bij waargenomen. Dat was toen zeer bijzonder voor het openbaar stedelijk groen in Nederland. Tussen 2010 en 2020 is deze bij talrijk langs de Veenendaalse vijvers waargenomen. De laatste tien jaar is grote kattenstaart ook een plant die je vaker in tuinen tegenkomt en die de bij aan trekt. In onze eigen tuin komt deze bij al een kleine tien jaar voor. Er zijn meer van deze voorbeelden. Tussen 1970 en 1990 kon ik in de Veenendaalse voortuinen met uitzondering van hommels nauwelijks wilde bijen waarnemen, maar dat is aan het verbeteren. De gemeente heeft op verschillende plekken Ezelsoor aangeplant die vooral door de grote wolbij worden bezocht. Deze bij was een halve eeuw geleden nog zeldzaam en is nu een echte tuinbij geworden.

De grote wolbijen die in de openbare ruimte worden waargenomen komen vrijwel zeker uit tuinen. Dat geldt voor veel meer kleine dieren. Met deze interactie worden we nog meer Nationaal Park. Ecologisch gezien horen tuinen en openbaar groen bij elkaar. 

Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie