Het manufacturenkistje van de marskramer werd gebruikt in een café in Willeskop... De nazaten doneerden het aan het Museum Veenendaal.
Het manufacturenkistje van de marskramer werd gebruikt in een café in Willeskop... De nazaten doneerden het aan het Museum Veenendaal. (Foto: Museum Veenendaal)

De handel van Johannes van Geenhuizen in Veenendaal

7 augustus 2021 om 15:14 Algemeen

Veenendaal - In de maandelijkse serie ‘Stukken uit de collectie van Museum Veenendaal’, ditmaal aandacht voor een bijzonder stuk met een bijzondere achtergrond, namelijk de marskramerskist van Johannes van Geenhuizen die later gebruikt werd als tafeltje in een café in Willeskop.

Niet lang geleden ontving Museum Veenendaal van een mevrouw uit Montfoort een interessant object. Na veel onderzoek bleek het object een marskramerkist te zijn. Zoals te lezen op de kist, was de eigenaar J.F. van Geenhuizen. Dit bleek Johannes Franciscus van Geenhuizen, koopman in manufacturen (textiele stukgoed) te zijn.
Johannes werd in 1852 in Arnhem geboren. Later verhuisde hij naar Veenendaal waar hij in 1874 trouwde met Gerritje Groeneveld. In 1919 overleed hij.

Tafeltje

De schoonouders van de schenkster woonden in Willeskop bij Montfoort. Hier hadden zij een klein café. Tijdens het beëindigen van zijn werk als marskramer, schonk Johannes zijn marskramerkist aan deze vrienden. Zij hebben er vervolgens vaste poten aan bevestigd en het als tafeltje gebruikt. De medewerkers Collectiebeheer in het Museum Veenendaal hebben inmiddels de poten verwijderd en het kistje in originele staat gebracht.
Wat was nu een marskramer? Die term ontstond rond 1225 in Engeland. Marskramers, die ook wel varende luyden genoemd werden, waren lopende verkopers met een kenmerkende korf of kist. Hieruit verkochten ze verschillende kleine producten op plekken zoals kermissen en markten. Hoe onschuldig het beroep van marskramer ook klinkt, toch was de burgerij niet bepaald gesteld op deze verkopers.

Bedelaars

De marskramers stonden bekend als bedelaars en zouden bewust hun klanten benadelen. In de 14e eeuw werd deze aanname bevestigd in een traktaat. Dit zorgde voor veel donkere geruchten over de marskramers onder het volk. Marskramers stonden vanaf nu definitief bekend als onheilspellende ketters. Aan het einde van de 16e eeuw kregen deze negatieve geruchten een wending. Door de uitbraak van de Tachtigjarige Oorlog, gepaard met de economische crisis, werden Marskramers gezien als slachtoffer van het Spaanse regime. Karel V zorgde namelijk voor het uitbrengen van het plakkaat tegen afzetterij van de rondtrekkende kooplieden, waardoor hun beroep onmogelijk gemaakt werd. 

Joods beroep

Desondanks bleef het beroep wel bestaan, waarin het voornamelijk in plattelandsstreken werd uitgeoefend. Het werd ook wel gezien als een typisch Joods beroep omdat Joden tot 1789 uitgesloten werden van de meeste christelijke gilden. Joden konden zich hierdoor enkel vrije beroepen uitoefenen. Metterjaren verdween de marskramer. Zo werd het beroep een stuk minder beoefend na het opleggen van het plakkaat van Karel V, werden diverse verplichte vergunningen ingevoerd, maar ook de vervolgingen van Joden tijdens de Holocaust speelde een rol. Omstreeks het midden van de 20e eeuw hield het beroep van marskramer op te bestaan in Nederland.

Mail de redactie
Meld een correctie

Deel dit artikel via:
advertentie
advertentie