
Op zoek naar een beter leven in Suriname: Hoe eenvoudige kolonisten Boeroes werden
9 juni 2025 om 07:06 Historie Nieuws uit Rhenen Nieuws uit VeenendaalVEENENDAAL President Santokhi van Suriname heeft 20 juni 2025 uitgeroepen tot een eenmalige nationale herdenkingsdag voor de komst van zo’n 400 Nederlandse boerenkolonisten, onder wie ook mensen uit deze streek. Wat begon als een dramatische start, groeide uit tot een kleine maar invloedrijke gemeenschap: de Boeroes. Samen met stichting Boeroe Kon Makandra dook de redactie in hun bijzondere geschiedenis.
Het is 1839 als Arend van den Brandhof, predikant in Elst bij Rhenen, leest over de mogelijke afschaffing van de slavernij. Mensen maken zich zorgen over de gevolgen voor de handel en de verdiensten voor de plantagehouders. Van den Brandhof bedenkt om met pachtboertjes en daggelders naar Suriname te gaan om de rol van de vrijgelaten slaven over te nemen.
Maatschappelijk is op dat moment in Nederland een tweedeling. Je hebt de elite, zoals de adel en vermogende handelaren, die het reilen en zeilen van het land bepaalt en waartoe ook dokters en dominees behoren. Zoals ook dominee Arend van den Brandhof. De rest van de Nederlandse bevolking bestaat dan hoofdzakelijk uit arme daggelders, pachtboertjes en middenstanders.
Van den Brandhof praat erover met twee collega’s: Jan Hendrik Betting en Dirk Copijn. Ze bedenken een plan. In hun plattelandsgemeenten in midden Nederland is in die tijd armoede vanwege de oorlogen en de aardappelziekte. Zij hebben daar hun handen vol aan.
AKKOORD EN GELD VOOR HUN PLAN
Suriname heeft een heerlijk klimaat. Daar kunnen de boeren dan in de landbouw aan de slag en zo hun inkomen verwerven. Dan hebben de dominees veel minder werk en zouden zij als leiders van die kolonisatie een betaalde bestuurlijke functie én aanzien krijgen. Uiteindelijk komen ze in juni 1841 aan tafel bij de Minister van Koloniën. Deze realiseert zich dat het plan heel gunstig kan uitpakken voor de schatkist van het Rijk. Er is minder geld nodig voor de armenzorg in Nederland en de belastingopbrengsten uit het wingewest Suriname blijven in stand. Na een vervolggesprek met Koning Willem II mogen de dominees hun plannen uitwerken. In 1843 krijgen ze definitief akkoord én geld voor hun plan voor een proefkolonisatie.
ZOEKEN NAAR GESCHIKTE LOCATIE
Dominee Jan Hendrik Betting vertrekt als eerste naar Suriname, op zoek naar een geschikte locatie voor het kolonisatieproject. Deze locatie moet ver buiten Paramaribo zijn, want daar heerst lepra en het leven is er veel te losbandig. Zo komt Jan Hendrik in de voormalige militaire post Groningen aan de Saramacca-rivier met aan de overkant de voormalige plantage Voorzorg. Ondanks de risico’s van deze locatie in verband met ziektes valt de keuze op deze plek. Samen met lokale overheden werken de initiatiefnemers de plannen uit voor de aankoop van plantage Voorzorg.
Tegelijkertijd werven Arend van den Brandhof en Dirk Copijn vanaf de kansel de boerengezinnen. Vooral arme pachtboertjes en daggelders reageren. De Surinaamse lokale overheden komen hun afspraken echter niet na. De boel wordt getraineerd, want de plantagehouders willen niet dat de huidige slaven zien dat witte mensen óók met hun handen werken. Jan Hendrik Betting concludeert dat ze voorlopig moeten stoppen. Van den Brandhof vreest echter enorm gezichtsverlies en ontslaat Jan Hendrik als leider. Hij schaalt het project iets af, maar medio 1845 zullen ze vertrekken.
(de tekst gaat onder de foto verder)
![]()
Eigen foto
HET PARADIJS BLIJKT EEN HEL
De drie dominees zijn benoemd tot ‘bestuurder en herder van de Europese kolonisatie’. In mei en juni 1845 vertrekken 350 personen met vier zeilschepen richting Suriname. Een barre reis in kleine ruimten, geen privacy, niet of nauwelijks frisse lucht en veel zeeziekte. Na zes lange weken komen ze eindelijk in het beloofde land Suriname, bij de monding van de Saramacca-rivier. Al dat groen, die paradijselijke verscheidenheid aan planten en bomen.
Maar binnen de kortste keren blijkt het paradijs een hel. Er is maar een paar hectare oerwoud gekapt, er zijn maar een paar noodwoninkjes klaar en er is geen waterput. Het is moessontijd met veel wateroverlast en muskieten én er is een epidemie uitgebroken. Kinderen en ouderen sterven bij bosjes. Ondertussen wordt wel de prefab-woning, die Arend voor zijn gezin heeft meegenomen, aan de overkant op Groningen, in elkaar gezet.
Een maand na aankomst komt dominee Dirk Copijn op gewelddadige wijze om het leven – de dader is nooit gevonden en zijn zwangere vrouw Wimpje Alfrink keert in 1846 terug naar Nederland. De boerenmensen die op plantage Voorzorg in hutjes wonen, willen ook terug. Probleem is dat ze een contract voor vijf jaar hebben met een fikse boeteclausule, die slechts een enkeling kan betalen.
BIJNA DAGELIJKS EEN ROUWSTOET
Ondertussen heeft Arend van den Brandhof een mooie woning met veranda en als enige schoon water uit een waterput. Ook hieruit blijkt de afstand tussen de elite en volk. Door de epidemie overlijdt binnen een half jaar de helft van de kolonisten. Bijna dagelijks steekt een rouwstoet de Saramacca-rivier over en komt langs het huis van Arend op weg naar het kerkhof, terwijl Arend op zijn veranda onverstoorbaar verder leest in zijn boek en niet op of om kijkt.
Anna Sophia Pannekoek, de vrouw van Arend van den Brandhof, is diep geraakt door de ellende van de kolonisten en ze helpt, juist op Voorzorg, waar ze kan. Dit tot grote ergernis van Arend, want vrouwen horen niet hun eigen gang te gaan. Vermoedelijk is ook Anna Sophia besmet met dysenterie en overlijdt al na vier maanden na hun aankomst.
NA DYSENTERIE OOK GELE KOORTS
De berichten die Arend naar Nederland stuurt, zijn positiever dan de werkelijkheid. Koning Willem II benoemt hem zelfs tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Tot overmaat van ramp breekt in 1851 op Voorzorg de gele koorts uit en sterven 30 personen, een kwart van de bevolking. In 1853 wordt uiteindelijk na veel gedoe het oorspronkelijke project ontbonden en als mislukt beschouwd.
Arend keert in 1853 na zijn eervol ontslag totaal gedesillusioneerd met zijn kinderen terug naar Nederland. Hij overlijdt in 1863 in Terborg. Jan Hendrik Betting keert na zijn ontslag terug naar Nederland. Later wordt hij predikant op Curaçao en in 1851 gaat hij terug naar Paramaribo. Hij overlijdt in Nederland in 1860.
NIEUWE START BIJ PARAMARIBO
Na het stopzetten van de proefkolonisatie in 1853 krijgen de Boeroes, zoals men de boerenkolonisten ondertussen noemt, via de gouverneur van Suriname de kans om aan de rand van Paramaribo een nieuwe start te maken. Ze krijgen grond en een boerenwoning in pacht en ontwikkelen zich daar tot een dynamische gemeenschap met gezonde bedrijven, die voor hun agrarische producten in Paramaribo een goede afzetmarkt hebben.
In 1920 is er een grote herdenking over 75 jaar boerenkolonisatie en krijgen 48 Boeroes een penning. In datzelfde jaar stuurt het Gouvernement enkele afstammelingen van de boerenkolonisten naar Nederland voor agrarische scholing.
Na 1945 breidt Paramaribo zich snel uit met als gevolg dat de boerenbedrijven daar onteigend moeten worden. Maar de ondernemende Boeroes ontwikkelen dan elders in Suriname nieuwe, grotere agrarische bedrijven en spelen steeds meer een rol in de maatschappelijke ontwikkelingen van Suriname.
Daarom heeft president Santhoki 20 juni 2025 uitgeroepen tot een eenmalige nationale herdenkingsdag voor het feit dat 180 jaar eerder de Boeroes, waaronder de boerenmensen uit deze streek (die in het kader hieronder zijn genoemd), voet op Surinaamse bodem zetten.
In het verspreidingsgebied van De Rijnpost zijn in 1845 de volgende personen vertrokken naar Suriname in de hoop op een beter leven:
Uit Elst: Luberta Maria Lootens (20); Jansien Perkamentis (20 ); Gerrit de Roode (40) en Barendje Masthof (37) met 4 kinderen; Jan Gerrit Roks (24); Brand Bruksvoort (41); Evert van der Klift (24); Arend van den Brandhof (49) en Anna Sophia Pannekoek (46) met 8 kinderen; Pieter Overeem (43), tabaksplanter/boer, en Hendrika Antonia de Kruif (41) met 9 kinderen; Jan Albertus Nellenstijn (22).
Uit Rhenen: Carl Ernst Friedrich Rudolph Leiding (29) en Artje Kuilenburg (32) met 1 kind; Gerrit Jan Zweers (47), schoenmaker, en Grietje Zweers (4 ) met 8 kinderen.
Uit Veenendaal: Antoine van Ravenswaaij (50) weduwnaar, met 5 kinderen; Henri Joseph van Ravenswaaij (55) en Gerritje van Zwanenburg (32), met 5 kinderen; Hendrik van Ravenswaaij (27) en Anna Maria Roghair (32) met 2 kinderen; Hendrik van Ravenswaaij (26) en Aartje van der Voort (24) met 1 kind; Hendrik Willikhuizen-van Ravenswaaij (32) en Antonia van Gulik (34), met 2 kinderen; Anthonie van Ravenswaaij (31) en Jannigje Sukkel (27), met 4 kinderen; Steven van Rabenswaaij (25), landbouwer, en Jannetje van Baaren (23) met 1 kind; Gerrit van Ravenswaaij (27), arbeider, en Woutertje van den Brinck (29), spinster, met 1 kind; Jan de Ruiter (32), landbouwer, en Hanna van de Poel (32), met 1 kind; Anna Maria Scheffer (22); Willemijntje van Asperen (18); Gerrit van Ravenswaaij (40), arbeider/landbouwer, en Elisabeth Welgraven (40) met 8 kinderen; Anna Mathilda Berendina Geverdinck (20 ); Gerrerdus Veldhuizen (40), landbouwer, en Gijsje van den Berg (36) met 5 kinderen.
Zou u meer willen weten hoe het met één van deze mensen in Suriname verder is gegaan, dan kunt u contact opnemen met de stichting Boeroe Kon Makandra door een e-mail te sturen naar stichtingbkm@gmail.com.. Kijk ook eens op www.boeroes.nl.















